Overgangsrecht levensloopregeling

Bijgewerkt: jul 26


Vanaf 1 januari 2012 is het niet langer mogelijk om deel te nemen aan de levensloopregeling. Er is toen overgangsrecht geïntroduceerd voor werknemers die op 31 december 2011 een levensloopaanspraak hadden met een waarde in het economisch verkeer van € 3.000 of meer (einddatum overgangsrecht 31 december 2021).


Op grond van het overgangsrecht geldt dat de werknemer uiterlijk tot 1 januari 2022 de tijd heeft om een bestaande levensloopaanspraak op te nemen. Als de werknemer hier geen gebruik van maakt, is er een fictief genietingsmoment op 31 december 2021. Hierbij geldt dat de (ex-)werkgever inhoudingsplichtig is voor de verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen. Dit overgangsrecht wordt nu aangepast. Voor nog niet opgenomen levensloopaanspraken wordt de datum van het fictieve genietingsmoment vervroegd naar 1 november 2021 (‘fictief genietingsmoment’), om er zo in elk geval voor te zorgen dat de levensloopregelingen voor het einde van 2021 zijn afgewikkeld.


Ten aanzien van het afwikkelen van de bestaande levenslooptegoeden per 1 november 2021 geldt dat:

  • de inhoudingsplicht verlegd wordt naar de instelling waar het levenslooptegoed is ondergebracht (in plaats van de (ex-)werkgever). Als de werknemer de aanspraak vóór 1 november 2021 opneemt, blijft de (ex-)werkgever inhoudingsplichtig voor de loonbelasting en premies volksverzekeringen (loonheffing).

  • de instelling geen heffingskortingen (inclusief levensloopkorting) toepast bij de inhouding van loonbelasting en premies volksverzekeringen over de levensloopaanspraak. Indien van toepassing, kan de werknemer de heffingskortingen in de aangifte inkomstenbelasting 2021 toepassen.

  • op het fictieve genietingsmoment de waarde in het economisch verkeer als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in de heffing wordt betrokken. Als de betreffende werknemer op 1 januari 2021 61 jaar of ouder is, wordt de levensloopuitkering aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.

  • de instelling de tabel voor bijzondere beloningen toepast. Als de instelling het voorgaande jaar geen loonheffing heeft ingehouden ten behoeve van de betreffende werknemers, wordt het jaarloon berekend aan de hand van de waarde in het economisch verkeer van de levensloopaanspraak dan wel aan de hand van deze waarde vermeerderd met andere uitkeringen die in 2021 hebben plaatsgevonden.

  • de instelling geen premies werknemersverzekeringen en geen premie inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet is verschuldigd over de levensloopaanspraak.

  • dit voor een (ex-)werknemer gevolgen kan hebben voor de heffing van loon- en inkomstenbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke regelingen, zoals toeslagen.